Doodgaan

Bron: website Blanco Pro Cycling Team

Ooit las ik een blog van Robert Gesink, de toekomstige Nederlandse Tour de France winnaar. Hij beschreef wat zijn gevoel was over doodgaan. Doodgaan op de fiets. Elke keer maakte hij het mee als hij aan het trainen was. Ik raakte geïnspireerd door zijn verhaal; door zijn manier van schrijven en door de sport.

Robert Gesink beklimt veel bergen. In trainingen, als hij niet thuis is, en in zo’n beetje alle wedstrijden. Grote bergen, zoals de Mont Ventoux waar hij al eens 2e werd achter Cadel Evans, of kleine bergen, zoals de Cauberg waar hij al eens 3e werd achter Sergei Ivanov en Karsten Kroon. Het is allemaal wat voor hem.

Wielrenners voelen het verschil er tussen. Die weten perfect wat ze wel kunnen, maar vooral ook wat niet. Of ze zo’n klein Limburgs heuveltje op kunnen sprinten of dat ze een uur lang hetzelfde wattage kunnen leveren als ze een Alpenreus op rijden. Het eerste gaat mij nog redelijk af, maar zodra het langer dan 5 minuten duurt, moet ik passen. Ook zodra de percentages langer dan 100m boven de 10% zijn. Nee, dat is niets voor mij.

Ook al is het niets voor mij, ik rijd ze wel zoveel mogelijk op. Op vakantie en als we eens een dagje naar Limburg gaan. Omhoog fietsen is nou eenmaal iets wat (bijna) elke wielrenner wilt. De bergen blijven lonken, je wilt er elke keer weer heen. Wat er zo leuk aan is, is de grote vraag. Misschien het opscheppen over dat je hem hebt beklommen. Misschien de hoop dat je er opeens goed in wordt. Misschien het in de voetsporen treden van je helden. De reden maakt niet uit, het doel blijft hetzelfde: de top bereiken.

De top bereiken is natuurlijk niet simpel, al ligt het erg aan de berg waar je op rijdt hoe lastig het is. Het doet pijn, omhoog fietsen. Op het vlakke kan je tenminste een soepele tred aanhouden en dan kom je altijd nog vooruit, omhoog is dat juist niet zo. Doorzetten is nodig, je geven is belangrijker, moraal is het belangrijkste. Pijn doet het sowieso. En die pijn noemt men ook wel ‘doodgaan’.

Doodgaan. Dat vind ik leuk, al weet ik niet waarom. Ik ben bang dat ik er nooit achter kom. Elke keer weer zorg ik ervoor dat ik dood ga. Met atletiek begon het al, maar met wielrennen is het nog veel erger. En dat doodgaan heeft een mysterie rond zich hangen. Ik zou het gevoel niet kunnen beschrijven. Vele (andere) sportmannen en -vrouwen kunnen het niet. Sterker nog: ik denk dat niemand het kan.

Het gevoel verdwijnt langzaam uit je spieren. Zuurstof stroomt er naar toe, even later wordt er ook nieuwe energie aangevoerd. Je kan weer normaal ademen, normaal praten en normaal bewegen. Je denkt terug aan het moment dat je dood ging. Hoe voelde je je toen? Shit, je hebt het weer niet onthouden.

Robert Gesink beschreef het ook in zijn blog. Je vergeet hoe het is om dood te gaan. Daarom wil je het nog een keer doen: je wilt weten hoe het voelde. Maar eigenlijk weet je dondersgoed dat je het niet wílt weten…

Dit bericht is geplaatst in de categorie Wielrennen met de tag . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *