Vlaamse Ardennen

Zaterdag 23 april 2011 staat in mijn herinnering als een tocht door de Vlaamse Ardennen, op de fiets. Een helse tocht, eentje om nooit te vergeten; net zoals alle andere tochten door onbekend gebied. Alle tochten door Limburg, door de Ardennen en in de toekomst door de Alpen, Pyreneeën en Dolomieten. Deze was een begin van een nieuw tijdperk.

Ik had 7.5 maanden niet op de fiets gezeten toen ik mijn eerste tochtje van 2011 maakte, half maart. Daarna ontbrak de zin, de inspiratie en de discipline. Een week later spraken we (Maxim, Koen en ik) af om op 23 april naar de Vlaamse Ardennen te gaan. Twee weken lang probeerde ik mijzelf te inspireren om te beginnen met trainen, omdat ik het écht nodig had wilde ik de Vlaamse Ardennen overleven.

Pas op 7 april begon ik aan mijn eerste training voor de tocht. Twee dagen later weer, de dag erna weer, drie dagen later weer, twee dagen later weer, drie dagen later weer, twee dagen later weer. Zeven trainingen in 2 weken tijd, met een totale afstand van 302km. Elke training ging beter, sneller, langer, makkelijker. Dat hield het leuk, zorgde ervoor dat ik de volgende keer weer wilde. Zou je denken, maar nee, de helft van de trainingen heb ik met tegenzin afgewerkt, omdat ik nog lang niet op mijn oude niveau was. Ter vergelijking: de eerste training van 50km ging in 2h15, vorig seizoen heb ik eens 51km in 1h45 gereden. Een half uur verschil!

Ik hield vol, trainde door, hoopte dat het goed zou komen voor de Vlaamse Ardennen. De nacht van te voren kon ik niet slapen, omdat het de avond ervoor wat té laat was geworden. Oorzaak, gevolg, eigen schuld, volgende keer nóg beter opletten. Om half 7 opstaan, half 8 de auto in richting de Hoeksche Waard, om Maxim en Koen op te halen. We vertrokken richting de Vlaamse Ardennen, alles ging voorspoedig.

Een parkeerplaats vinden lukte ook. We maakten onze fietsen klaar, deden de juiste kleding aan en sprongen op de fiets. Eerste de Parikeberg, leuk opwarmertje. Daarna een lang vals plat deel door Everbeek heen, niet zo’n leuk opwarmertje als je niet in vorm bent… Vervolgens verkeerd rijden, La Houppe op en via de grote weg naar de Kanarieberg. Een super steil ding, maar het ging allemaal nog. Bovenop even wat eten en doorgaan, richting Ronse.

In Ronse de Kruisberg op via de kasseien, daarna afdalen naar Berchem voor de Oude Kwaremont. Een bekende heuvel, eentje om niet snel te vergeten. Eén van de vier groten van de dag (naast de Patersberg, Koppenberg en de Muur-Kapelmuur). Eerst via het asfalt, waar ik voor de grap aanval zodat ik met een kleine voorsprong aan de kasseien begin. Omhoog is niets voor mij als het langer dan 800m is, eigenlijk stopt het al na een meter of 400. Ik geraak tot het Oude Kwaremontplein, daar begint het vals platte gedeelte. Ik zie Koen voor mij rijden op een seconde of 20. Ik knal ernaartoe, vlieg eroverheen, schreeuw dat hij moet doorrijden en laat hem achter. Bovenop heb ík een seconde of 20 voorsprong op hem, weliswaar op gepaste afstand van Maxim (1m20s), maar het is een mentale overwinning voor mij.

We eten weer wat, dalen af en daar is de Patersberg. Zij weten niet waar hij precies is, ik wel, maar ik ben kansloos op stukken tegen 15%. Van links naar rechts, en weer naar links, weer naar rechts, krijg nog mee dat ik word aangemoedigd, en zwiep mijn stuur weer naar links. Ik geraak boven, uitgeteld, maar ik ben er. De tweede overwinning van de dag.

Richting de Koppenberg, waarvan ik eigenlijk dacht dat hij niet veel zwaarder zou zijn dan de Patersberg. Het lange tussenstuk valt mij zwaar, soms stukken vals plat ertussen, soms kan je weer op de pedalen staan om wat gas te geven in licht dalende stroken.

Daar is hij dan, de Koppenberg. Allemaal kasseien, je ziet hoe hij steiler en steiler wordt, tot het gedeelte in de bomen. De top zie je niet eens, zo steil is het. Het lukt aardig aan de rechterkant in een half gootje, daarna de kasseien op en daar begint het pas écht. Het gaat boven de 20%. Koen zegt iets waardoor ik moet lachen, snel stap ik maar af en gebruik het als excuus. Zelf weet ik dat ik nooit fietsend boven was gekomen. Niet op die dag, wel ooit op een andere dag. Het laatste stuk (eerder het langste) wordt lopend afgewerkt, schitterend in mijn Euskaltel – Euskadi tenue! Zouden ze dat daar kennen?

Vervolgens gaan we naar de Mariaborrestraat, de enige vlakke kasseistrook van de dag. Ik heb er vertrouwen in na de Oude Kwaremont en vlieg eroverheen, totdat mijn zadeltasje losschiet. Snel stap ik af, doe hem vast, en vlieg m’n fiets weer op. Ik rijd terug naar Maxim, die de beste van de dag was. Het leek geen pijn te doen, zelfs de Steenbeekdries kom ik levend op. De Stationsberg naar beneden is een hel aan 14km/h, omdat de kasseien pijn beginnen te doen. Had ik toen maar geweten dat je er eigenlijk met 40km/h overheen moest gaan, want dan zou je er minder van voelen…

Toen was het op: mijn energie. M’n benen wilden niet meer, m’n hoofd wilde niet meer, maar ik moest nog naar de auto. En eigenlijk nóg een rondje van 30km rijden voor o.a. de Muur-Kapelmuur en de Bosberg. “Nog maar 20km, dan ben je bij de auto” vertelde ik mijzelf. Het klinkt niet erg hoopvol, maar meer had ik niet. Ergens moeten we linksaf richting de Taaienberg en als ik denk te weten waar het is, zijn we er al voorbij. Tot overmaat van ramp valt de route. Het duurt lang voordat ik hem weer beet heb en nog langer voordat ik zeker weet dat we terug moeten. Maxim en Koen rijden al een meter of 500 verder, dus ik rijd maar door. Er komt geen einde aan, totdat ze ergens gestopt zijn. We vragen de weg, maar dat hielp niet. We rijden maar door, want ik heb een nieuwe route gevonden. Een kilometer of 5 extra, maar minder klimmen.

Minder klimmen zei ik tegen mijzelf, zo min mogelijk omhoog, want dat zou mezelf juist helemaal slopen. Al kon ik niet verder dood; mijn benen gingen niet harder dan 18km/h op het vlakke. Omhoog kwam ik al helemaal niet vooruit. Voor de tweede keer rijden we richting La Houppe. We rijden nog verkeerd ook, keer nummer 3. Best knap in de Vlaamse Ardennen al zeg ik het zelf (ik zeg altijd waar we heen moeten gaan en moet mezelf af en toe ook een complimentje geven!). De ketting van Koen gaat er nog af, maar ik rijd vrolijk door, want ik heb het niet door én dan kunnen zij een wat hoger tempo achter mij ontwikkelen.

“Linksaf richting Everbeek, nu komt het laatste stukje klimmen eraan”. Het werkt, ik ga weer wat harder, de afdaling gaat ook goed (alhoewel, afdaling van 2%…) en dan zit ik op de grote weg richting Parike. Ik ben er! De auto is gehaald! Snel alles opruimen, want Maxim gaat in zijn eentje de Muur-Kapelmuur en de Bosberg op. M’n benen willen niet meer, de auto is warm van binnen, maar opschieten moet.

Maxim gaat de Muur-Kapelmuur goed op, al zegt hij het zelf. Wij hebben het niet gezien. Snel rijden we door naar de Bosberg. De laatste heuvel, die eigenlijk niet veel voorstelt. 800m aan 4% op asfalt, dan 400m aan 9% op kasseien. Al zijn die getallen na 250km relatief, maar zover zijn wij niet gekomen. De top is in zicht, Koen en ik staan er al. We moedigen Maxim aan voor het laatste stukje. Hij haalt het, bijtend op de tanden, want zelfs voor Maxim is de laatste heuvel zwaar.

Het was zwaar. De spierpijn voel je pas achteraf. En dat blijft wel een paar dagen, maar het was het waard. Vanaf dat moment komt de zin om te trainen weer terug, omdat ik weet waar ik vorig seizoen was gekomen. Hoe hard het toen ging. En dat komt terug, als ik maar hard genoeg train. Dan ga ik terug, terug naar de Koppenberg. Rijd ik hem in één keer naar boven. Vlieg ik naar de Muur-Kapelmuur en storm ik de Bosberg op.

Droom verder.

Dit bericht is geplaatst in de categorie Wielrennen met de tag . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *