Kabouters en pannenkoeken

Er was eens… Een kabouter. Een kabouter op een paddenstoel. Hij was net zijn vriendjes en vriendinnetjes kwijt geraakt. Hij ging met hen eten zoeken, maar doordat de winter het grootste gedeelte van het eten heeft verwoest, moesten ze ver van hun kleine kabouterhuisjes gaan zoeken. Teddy was niet bekend in dit gedeelte van het bos. Ze hadden afgesproken om weer samen te komen op een open plek in het bos. Toen hij al zijn zakken, zijn handen en zijn muts vol had met eten, ging hij terug naar de plek. Hij kon het eerst niet vinden, maar hij bleef zoeken. Uiteindelijk kwam hij terecht bij een klein beekje dat hem bekend voor kwam: ze hadden deze ook gezien op de heenweg. Hij kon dus zo de weg vinden naar de open plek toe. Daar was echter niemand meer te vinden. Ze moesten hebben gedacht dat hij was meegenomen door de wolven. Teddy had de wolven wel gezien, maar ze gingen de andere kant op. Hij stond gelukkig tegen de wind in, waardoor de wolven hem niet konden ruiken.

Teddy ging tevergeefs op zoek naar leven. Hij probeerde het beekje weer te vinden, hopend dat hij in de goede richting zou zitten, maar het lukte hem niet. Hij zocht links, rechts, achter de struiken, in elk hol dat hij tegen kwam. Niets. Een kakkerlak soms. Meer niet. Het leek wel alsof het bos uitgestorven was. Teddy kon de moed niet opgeven, dus hij móest en zou doorgaan. Een paar minuten later hoorde hij wat struiken bewegen, een stukje verderop. Hij wist niet wat het was of wie het waren, dus deed hij voorzichtig aan. Hij kroop in de struiken vlakbij hem. Kroop daar doorheen, probeerde dichterbij te komen. Rende snel naar de volgende struik en verborg zich daar weer. Langzaamaan kwam hij zo dichterbij, maar het schepsel bewoog zelf natuurlijk ook verder. Teddy zei tegen zichzelf dat hij haast moest maken, hij wilde weten wat het was en of het hem niet kon helpen. Hij rende harder van struik naar struik, deed minder voorzichtig in de struiken zelf, school soms zelfs in het gras. Het duurde een tijd voordat hij éindelijk zicht had op het schepsel. Hij zag alleen twee oren boven het gras uitkomen. Grote oren. Bruine oren. Was het een wolf? Hij probeerde om het schepsel heen te lopen. Ja, het was een wolf. De wolf had Teddy gezien en zette de aanval in. *PATS*

Teddy werd wakker. Hij probeerde zijn ogen open te doen. Het lukte niet. Het deed pijn. Hij moest. Z’n ogen stonden op een kiertje en gelukkig was het donker. Hij was in een grot, een donkere grot. Er was geen ander leven bij hem. Hij zag wel een slaapplek liggen, maar daar lag niets, alleen wat haar. Wolvenhaar. Teddy moest proberen op te staan, te vluchten, waar hij ook was, hij moest terug naar zijn kabouterhuis. Naar zijn paddenstoel. Hij probeerde kracht te zetten met zijn armen, maar ze deden pijn. Ze waren aan het bloeden. Dan maar alleen met m’n benen, dacht hij bij zichzelf. Hij zette zich wat beter neer en probeerde zich omhoog te gooien met zijn lichaam. Het lukte niet. Zijn benen deden ook pijn. Hij probeerde het nog is. Nog is. Nog is. De vijfde keer lukte het hem een klein beetje. Hij kon opstaan, maar viel gelijk om de andere kant op, op zijn knieën. Hij schreeuwde het uit van de pijn. Dat hoorde de wolf blijkbaar, want hij kwam aangerend en hijgend pakte hij Teddy op. Beet in hem. Teddy had pijn en viel flauw.

“TEDDY! WAKKER WORDEN! DE PANNENKOEKEN ZIJN KLAAR!”
Teddy werd wakker, in de war. Hij wist niet wat er was gebeurd, deed zijn ogen open, verplaatste zijn arm vanonder de dekens naar zijn nachtkastje. En hij pakte zijn bril. De klok gaf 18.23 aan. Het was etenstijd.
“Ja mam, ik kom eraan!”

Dit bericht is geplaatst in de categorie Fantasie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *